Betekenis van:
tweetal

tweetal (het ~ | meervoud tweetallen)
Zelfstandig naamwoord
  • groep van twee; stelletje
"een tweetal [bezoekers/boeken/honden/bedrijven]"
"het misdadige tweetal werd gisteren gearresteerd"

Synoniemen

Hyperoniemen

tweetal
Zelfstandig naamwoord
  • welgeteld twee
"Er is een tweetal redenen om dit niet te doen."
tweetal
Zelfstandig naamwoord
  • een groep van twee
"Het vrolijke tweetal liep lachend weg."