Betekenis van:
beschaamd

beschaamd
Bijvoeglijk naamwoord
  • vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
"De beschaamde ouders wilden niet onderkennen dat hun jonge dochter zwanger was."
beschaamd
Bijvoeglijk naamwoord
  • vervuld van schaamte, zich schamend over iets dat men zelf doet of van anderen ondervindt
"je moest beschaamd zijn!"
"iemand beschaamd maken"

Synoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Zijn moeder was beschaamd over hem.
  2. Zijt ge niet beschaamd, zo te spreken?
  3. Ik ben beschaamd om haar te zien.
  4. Ik was beschaamd om in oude kleren uit te gaan.
  5. Ze was niet beschaamd om me een vraag te stellen.
  6. Ik ben beschaamd over de luiheid van mijn zoon.