Betekenis van:
schaamtevol

schaamtevol
Bijvoeglijk naamwoord
  • met schaamte
"De mollige dame had een schaamtevol verlangen naar chocolade en andere zoetwaren."
schaamtevol
Bijvoeglijk naamwoord
  • vervuld van schaamte, zich schamend over iets dat men zelf doet of van anderen ondervindt

Synoniemen