Betekenis van:
wolf
wolf (de ~ | meervoud wolven)
Zelfstandig naamwoord
- bepaalde ziekte zoals cariës
"(mee)huilen met de wolven in het bos"
"als hongerige wolven (op eten aanvallen)"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
wolf
Zelfstandig naamwoord
- ''Canis lupus'', een roofdier uit de familie van de hondachtigen
"In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen."
wolf
Zelfstandig naamwoord
- ''Canis lupus'', een roofdier uit de familie van de hondachtigen
"In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen."
wolf
Zelfstandig naamwoord
- huilende bijtoon bij het aanslaan van consonerende tonen, vals interval
Hyperoniemen
Hyponiemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Een wolf bijt geen wolf.
- Ik ontmoette een wolf in een droom.
- Je bent een wolf in schaapskleren.
- Mijn medewerker is een wolf in schapenvacht.
- In mijn droom kwam ik een wolf tegen.
- De mens is een wolf voor de mens.
- De wolf in het verhaal
- De mens (is) voor de mens een wolf
- Wolf
- Ethiopische wolf
- Spotted wolf-fish
- Dorab wolf-herring Wolfharingen
- Güth & Wolf, Gütersloh, Duitsland;
- Wolf-fishes n.e.i. Zeewolf
- Atlantic wolf-fish (= catfish)