Betekenis van:
bouwvak

bouwvak (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • vakantie in bouw
"rond/voor de bouwvak"
"in de bouwvak"

Hyperoniemen

Hyponiemen

bouwvak
Zelfstandig naamwoord
  • de tijd waarin bouwvakkers vakantie hebben
bouwvak
Zelfstandig naamwoord
  • een vak dat betrekking heeft tot bouwen