Betekenis van:
vakantie

vakantie (de ~ | meervoud vakanties)
Zelfstandig naamwoord
  • periode vrij van school of werk
"de eerste/laatste week van de vakantie"
"in de vakantie"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vakantie
Zelfstandig naamwoord
  • een jaarlijkse vrije tijd voor personen in verschillende beroepen en voor leerlingen
"Wij hebben vanaf morgen vakantie!"
vakantie
Zelfstandig naamwoord
  • een reis in de vakantie
"Wij gaan op vakantie naar Kreta."
vakantie (de ~ | meervoud vakanties)
Zelfstandig naamwoord
  • pleziertocht tijdens je vrije dagen; pleziertocht tijdens je vrije dagen
"wil je de foto's van onze vakantie nog zien?"
"een goedverzorgde vakantie"

Synoniemen

Hyperoniemen