Betekenis van:
omgaan met

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ze kon niet omgaan met de angst.
  2. Kun jij omgaan met de manier waarop hij zich gedraagt?
  3. We moeten allemaal leren omgaan met deze situatie.
  4. Omgaan met de werkbelasting
  5. Het omgaan met mensenmassa's
  6. Stress en omgaan met stress
  7. met tegenstrijdige functie-eisen omgaan
  8. Kunnen omgaan met een koelmiddelcilinder.
  9. medewerkers die met passagiers omgaan;
  10. Het omgaan met de passagiers
  11. Het omgaan met de passagiers
  12. medewerkers die met passagiers omgaan; en
  13. De centrale gegevensopslag moet kunnen omgaan met:
  14. Omgaan met storingsbedrijf, met name voor korte treinen
  15. Training in het omgaan met brand en rook