Betekenis van:
lammeren

lammeren
Werkwoord
  • (van ooien en geiten) het werpen van jongen
lam (het ~ | meervoud lammeren)
Zelfstandig naamwoord
  • jong schaap
"zo onschuldig als een pasgeboren lammetje"
"zo gedwee als een lam"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. LAMMEREN
  2. van lammeren
  3. van lammeren
  4. hele en halve lammeren, bevroren
  5. Huiden en vellen van schapen of lammeren
  6. lammeren (tot de leeftijd van een jaar)
  7. hele en halve lammeren, vers of gekoeld
  8. Criteria voor de omschrijving van karkassen van lichte lammeren
  9. volledige diervoeders voor konijnen, lammeren, geitenlammeren en varkens (behalve biggen)
  10. L: karkassen van schapen van minder dan twaalf maanden (lammeren);
  11. volledige diervoeders voor schapen (behalve lammeren) en geiten (behalve geitenlammeren)
  12. van lammeren van de soorten Astrakan, Breitschwanz, Karakoel, Persianer en dergelijke, alsmede van Indische, Chinese, Mongoolse of Tibetaanse lammeren
  13. pluimvee, kalveren (jonger dan vier maanden), lammeren en geitenlammeren
  14. Lammeren: mannelijke of vrouwelijke schapen van minder dan twaalf maanden.
  15. Geschoren schapen en lammeren van 26 kg en meer