Betekenis van:
heimwee

heimwee (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • verlangen naar huis of iets vertrouwds
"heimwee hebben naar [de goede oude tijd]"
"heimwee krijgen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

heimwee
Zelfstandig naamwoord
  • sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
"Wegens sterke heimwee kon hun dochtertje nooit bij vriendinnetjes logeren."

Voorbeeldzinnen

  1. Tom heeft heimwee.
  2. Ik krijg heimwee als ik aan m'n familie denk.
  3. Hij kwam niet terug vanwege heimwee, maar omdat hij bijna door zijn geld was.