Betekenis van:
nek

nek (de ~ | meervoud nekken)
Zelfstandig naamwoord
  • lichaamsdeel
"zich iets op de nek halen/nemen"
"uit je nek kletsen/praten"

Hyperoniemen

nek
Zelfstandig naamwoord
  • achterste gedeelte van de hals

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Had het Romeinse volk maar één nek
  2. Nek
  3. Hals en nek (uitwendig): …
  4. Nek, exclusief neksteun
  5. de nek belasten
  6. dislocatie van de nek;
  7. Bot-, gewrichts- of spierklachten, overwegend in nek, schouders, armen of handen
  8. Kinderdekbedden mogen geen koorden of lussen bevatten waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
  9. De stootranden mogen geen koorden of lussen hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
  10. De hangwieg mag geen koorden of linten hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
  11. „hoofdlijn” een rechte lijn die door het zwaartepunt van het hoofd en door het nek-borstkasgewricht loopt.
  12. Een hoeveelheid van 0,1 ml brucelline wordt intradermaal geïnjecteerd in de staartplooi, de flankhuid of de zijkant van de nek.
  13. Ook moet de grootte van de nek- en armopeningen voorkomen dat het kind onderin de slaapzak glipt.
  14. De slaapzakken mogen geen koorden of lussen hebben waarin de nek van het kind verstrikt kan raken.
  15. Stootranden voor kinderledikanten mogen geen risico opleveren dat het hoofd en de nek van het kind bekneld raken in lussen of koorden of andere bevestigingsonderdelen.