Betekenis van:
geduld
geduld (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- berustende houding
"zijn lijden met geduld verdragen"
"zijn geduld bewaren"
Hyperoniemen
geduld
Zelfstandig naamwoord
- de rust en bereidheid om te wachten
"Je zal toch echt meer geduld moeten zien op te brengen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Mijn geduld raakt op.
- Bedankt voor je geduld.
- Onderwijzen vraagt veel geduld.
- Geduld is een schone zaak.
- Tracht geduld op te brengen met anderen.
- Hij was het geduld in persoon.
- Je hebt zo weinig geduld met me.
- Met een beetje meer geduld zou je deze puzzel opgelost kunnen hebben.
- Lijnvaartconferences worden in verscheidene jurisdicties geduld.
- Bij brief van 31 juli 2007 heeft de Commissie aangegeven dat geen verder uitstel van de privatisering werd geduld.
- In 2001, en vooral in 2002, heeft IFB haar facturen ook niet betaald, en de NMBS heeft dat geduld.