Betekenis van:
geduld

geduld (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • berustende houding
"zijn lijden met geduld verdragen"
"zijn geduld bewaren"

Hyperoniemen

geduld
Zelfstandig naamwoord
  • de rust en bereidheid om te wachten
"Je zal toch echt meer geduld moeten zien op te brengen."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Mijn geduld raakt op.
  2. Bedankt voor je geduld.
  3. Onderwijzen vraagt veel geduld.
  4. Geduld is een schone zaak.
  5. Tracht geduld op te brengen met anderen.
  6. Hij was het geduld in persoon.
  7. Je hebt zo weinig geduld met me.
  8. Met een beetje meer geduld zou je deze puzzel opgelost kunnen hebben.
  9. Lijnvaartconferences worden in verscheidene jurisdicties geduld.
  10. Bij brief van 31 juli 2007 heeft de Commissie aangegeven dat geen verder uitstel van de privatisering werd geduld.
  11. In 2001, en vooral in 2002, heeft IFB haar facturen ook niet betaald, en de NMBS heeft dat geduld.