Betekenis van:
cold

cold
Zelfstandig naamwoord
  • ontsteking van het neusslijmvlies, gepaard gaande met neusverstopping en slijmafscheiding
  • a mild viral infection involving the nose and respiratory passages (but not the lungs)
"will they never find a cure for the common cold?"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cold
Zelfstandig naamwoord
  • lage temperatuur
  • the absence of heat
"the coldness made our breath visible"
"come in out of the cold"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cold
Zelfstandig naamwoord
  • ondertemperatuur
  • the absence of heat
"the coldness made our breath visible"
"come in out of the cold"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

cold
Zelfstandig naamwoord
    • the sensation produced by low temperatures
    "he shivered from the cold"
    "the cold helped clear his head"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    cold
    Bijvoeglijk naamwoord
    • niet hartelijk; koel; niet hartelijk; afstandelijk
    • extended meanings; especially of psychological coldness; without human warmth or emotion
    "a cold unfriendly nod"
    "a cold and unaffectionate person"
    cold
    Bijvoeglijk naamwoord
    • kalm
    • of a seeker; far from the object sought

    Hyperoniemen

    cold
    Bijvoeglijk naamwoord
    • nevelig
    • lacking originality or spontaneity; no longer new

    Synoniemen

    cold
    Bijvoeglijk naamwoord
      • having lost freshness through passage of time
      "a cold trail"
      "dogs attempting to catch a cold scent"
      cold
      Bijvoeglijk naamwoord
        • lacking the warmth of life
        "cold in his grave"
        cold
        Bijvoeglijk naamwoord
          • without compunction or human feeling
          "in cold blood"
          "cold-blooded killing"

          Synoniemen

          cold
          Bijvoeglijk naamwoord
            • (color) giving no sensation of warmth
            "a cold bluish grey"
            cold
            Bijvoeglijk naamwoord
              • marked by errorless familiarity
              "had her lines cold before rehearsals started"
              cold
              Bijvoeglijk naamwoord
                • having a low or inadequate temperature or feeling a sensation of coldness or having been made cold by e.g. ice or refrigeration
                "a cold climate"
                "a cold room"
                cold
                Bijvoeglijk naamwoord
                  • unconscious from a blow or shock or intoxication
                  "the boxer was out cold"
                  "pass out cold"
                  cold
                  Bijvoeglijk naamwoord
                    • feeling or showing no enthusiasm
                    "a cold audience"
                    "a cold response to the new play"
                    cold
                    Bijvoeglijk naamwoord
                      • sexually unresponsive
                      "was cold to his advances"

                      Synoniemen

                      cold
                      Bijvoeglijk naamwoord
                        • so intense as to be almost uncontrollable
                        "cold fury gripped him"