Betekenis van:
nordic

nordic
Zelfstandig naamwoord
    • the northern family of Germanic languages that are spoken in Scandinavia and Iceland

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    nordic
    Bijvoeglijk naamwoord
      • relating to Germany and Scandinavia
      nordic
      Bijvoeglijk naamwoord
        • resembling peoples of Scandinavia
        nordic
        Bijvoeglijk naamwoord
          • of or relating to or constituting the Scandinavian group of languages