Betekenis van:
springtime

springtime
Zelfstandig naamwoord
  • het eerste van de vier jaargetijden, van 21 maart tot 21 juni
  • the season of growth

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Many flowers start blooming in springtime.
  2. Birds make a nest in the springtime to raise their babies in.