Betekenis van:
Duits

Duits
Bijvoeglijk naamwoord
  • van of uit het Duits
"Duitse taal- en letterkunde"
Duits
Bijvoeglijk naamwoord
  • van Duitsland
"het Duitse waddengebied"
"de Duitse Bondsrepubliek/staat"

Synoniemen

Duits (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • Duitse taal

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik ga Duits studeren.
  2. Ik versta geen Duits.
  3. Spreekt u Duits?
  4. Ik wil Duits studeren.
  5. Duits is geen makkelijke taal.
  6. Engels en Duits zijn twee verwante talen.
  7. Nederlands is nauw verwant aan Duits.
  8. Engels en Duits hebben een gezamenlijke stamvader.
  9. Engels is een zustertaal van Duits.
  10. Hij studeert Engels, maar hij studeert ook Duits.
  11. Volgens mij is mijn Duits niet erg goed.
  12. Hij spreekt goed Japans, maar ik kan geen Duits spreken.
  13. Schrijf nooit woorden "borsjtsj" en "sjtsji" in het Duits!
  14. Kan iemand mij een goed eentalig Duits woordenboek aanraden?
  15. Wanneer zijt ge begonnen met Duits te leren?