Betekenis van:
aanvoer

aanvoer (de ~ | meervoud aanvoeren)
Zelfstandig naamwoord
  • aangeleverde goederen
"nieuwe aanvoer"

Hyperoniemen

aanvoer (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het (doen) toestromen van iets; aanlevering van goederen
"de aanvoer is geblokkeerd"
"een voortdurende aanvoer van voedsel"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

aanvoer
Zelfstandig naamwoord
  • het aanbrengen met een leiding of voertuig
aanvoer
Zelfstandig naamwoord
  • het aangevoerde
aanvoer
Zelfstandig naamwoord
  • voor aanvoer dienend

Voorbeeldzinnen

  1. Aanvoer
  2. Inspectie bij aanvoer
  3. Inspectietaken bij aanvoer
  4. Begin aanvoer/overlading
  5. Einde aanvoer/overlading
  6. Gemiddeld vochtgehalte bij aanvoer
  7. AANVOER IN DE GEMEENSCHAP
  8. Vissershavens, aanvoer- en beschuttingsplaatsen
  9. Datum van aanvoer/overlading
  10. Weging van de aanvoer
  11. Tekorten in de aanvoer
  12. Aanvoer van NO/NO2
  13. vissershavens, aanvoer- en beschuttingsplaatsen;
  14. Datum van aanvoer
  15. Aanvoer van O2 of lucht