Betekenis van:
afkoelen

afkoelen
Werkwoord
  • kouder worden
"Het water koelde langzaam af."
afkoelen
Werkwoord
  • kouder doen worden
"Hij koelde de hete plaat af door er water op te gooien."

Voorbeeldzinnen

  1. Laat afkoelen en filtreer.
  2. Laat afkoelen tot kamertemperatuur.
  3. Kook enkele minuten, laat afkoelen en filtreer.
  4. Laat het mengsel afkoelen en decanteer het zuur.
  5. Verwijder de koeler en laat de kolf afkoelen tot kamertemperatuur.
  6. Kook een 2 %-oplossing van de gom en laat afkoelen.
  7. Stop met roeren en laat het mengsel minimaal 2 uur bij kamertemperatuur afkoelen
  8. Laat afkoelen, vul aan tot de streep met water, meng en filtreer.
  9. Laat de vaten gedurende 15 minuten in een water/ijsbad afkoelen.
  10. de alcoholdamp afkoelen in een geschikte (bv. roestvrijstalen) koeler waarin deze condenseert en wordt opgevangen;
  11. Neem de reageerbuis uit het waterbad en laat tot kamertemperatuur afkoelen.
  12. Tenslotte de filterkroes afzuigen en tezamen met het residu drogen, afkoelen en wegen.
  13. Kook nog twee uur nadat de oplossing helder en lichtgroen geworden is; laat vervolgens afkoelen.
  14. Laat even afkoelen, voeg 2 ml salpeterzuur (3.4) toe en verwarm zacht. Laat weer even afkoelen, voeg opnieuw een weinig salpeterzuur (3.4) toe en breng weer aan de kook.
  15. Kook gedurende 10 minuten, laat afkoelen en voeg 2 g kaliumjodide en 20 ml zwavelzuur (25 %) toe.