Betekenis van:
afspraakje

afspraakje (het ~ | meervoud afspraakjes)
Zelfstandig naamwoord
  • afspraak (van minnaars); rendez-vous
"een afspraakje hebben"
"hij was ontzettend zenuwachtig voor zijn eerste afspraakje"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb om zes uur een afspraakje met hem.