Betekenis van:
april
april (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- vierde maand v.h. jaar; benaming voor april
"april doet wat hij wil"
"op 1 april verloor Alva zijn bril"
Synoniemen
Hyperoniemen
april
Zelfstandig naamwoord
- de vierde maand van het jaar
"In april is het weer sterk wisselend."
april
Zelfstandig naamwoord
- de vierde maand van het jaar
"In april is het weer sterk wisselend."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Apr. is een afkorting voor april.
- Het nieuwe semester begint in april in Japan.
- Op een zonnige dag in april ging ik wandelen.
- In april waren er niet veel vakantiegangers op het eiland.
- april
- april
- Maart-april
- Nederland, april
- April/mei
- „7 april 2004”,
- van 13 april 2005
- April/mei sedert 1995
- van 22 april 2004
- Januari tot april 2006
- van 2 april 2009