Betekenis van:
baai

baai (de ~ | meervoud baaien)
Zelfstandig naamwoord
  • van binnen ronde inham van de zee in het land, kleine golf, kleine zeeboezem
"[ankeren] in de baai"
"een hotelkamer met uitzicht op de baai"

Synoniemen

Hyperoniemen

baai
Zelfstandig naamwoord
  • een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
"De boottocht door de baai was echt fenomenaal!"

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De olieramp heeft de baai vervuild.
  2. Duitse Baai
  3. Locaties in de Botnische Baai (Norra Kvarken)
  4. Saint-Pierre en Miquelon heeft zijn verzoek gebaseerd enerzijds op de vertraging die is opgelopen bij het opstarten van activiteiten in verband met het kweken van genoemde schelpen in de baai van Miquelon en anderzijds op het feit dat de plaatselijke productie van deze schelpen in grote mate afhankelijk is van uit Canada ingevoerd zaad.