Betekenis van:
bamboe

bamboe (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • tropische rietsoort
"een hengel van bamboe"
"een bamboe bijzettafeltje"

Hyperoniemen

bamboe
Zelfstandig naamwoord
  • een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
"Bamboe is het voedsel van de reuzenpanda."

Voorbeeldzinnen

  1. Bamboe buigt zich in de wind.
  2. bamboe
  3. Bamboe
  4. van bamboe
  5. andere, van bamboe
  6. van bamboe of van rotting
  7. CPA 31.09.14: Meubelen van kunststof of van andere stoffen (teen, rotting en bamboe daaronder begrepen)
  8. meubelen van andere stoffen, daaronder begrepen teen, rotting, bamboe of dergelijke stoffen
  9. Sasa Veitchii Extract is een extract van de bladeren van bamboe, Sasa veitchii, Poaceae
  10. Triplex- en multiplexhout, met fineer bekleed hout en op dergelijke wijze gelaagd hout, van bamboe
  11. Bamboevloeren zijn gemaakt van massieve stukken bamboe of van bamboeagglomeraten als hoofdcomponent.
  12. zitmeubelen van teen, van rotting, van bamboe of van dergelijke stoffen– en omgevormd
  13. Overige blijvende teelten (grienden en andere wilgenteelt, riet, bamboe, kerstbomen, enz.)”
  14. Bambusa Arundinacea Extract is een extract van de stengels van de bamboe, Bambusa arundinacea, Poaceae
  15. meubelen van andere stoffen, teen, rotting en bamboe daaronder begrepen– en omgevormd