Betekenis van:
beslag

beslag (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • versiering van meubels of boeken
"een gouden/koperen beslag"

Hyperoniemen

Hyponiemen

beslag (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • vloeibaar mengsel
"het beslag maken"
"beslag voor [pannenkoeken]"

Hyperoniemen

beslag
Zelfstandig naamwoord
  • een confiscatie
"De televisie wordt in beslag genomen."
beslag
Zelfstandig naamwoord
  • vloeibaar deeg
"Oma heeft weer beslag gemaakt voor oliebollen."
beslag
Zelfstandig naamwoord
  • kleine metalen elementen zoals krukken, knoppen, schilden, rozetten, sleutelgatplaatjes op deur of raam
"Het beslag werd als een stelpost in de begroting opgenomen."
beslag (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • arrest; het in bezit of gebruik nemen; wegnemen van zaken door justitie; beslaglegging op geld of goederen
"beslag aanzeggen"
"in beslag nemen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beslag
Zelfstandig naamwoord
  • dichte vloering van rijshout, riet enz. waarmee een oever is bekleed

Hyperoniemen

Hyponiemen