Betekenis van:
beurt
beurt
Zelfstandig naamwoord
- een gelegenheid of opdracht die bij afwisseling aan één persoon uit meerdere gegeven wordt
"De spelregels zeggen dat je dan je beurt moet overslaan."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wie is aan de beurt?
- Het is jouw beurt om te zingen.
- Het is Mary's beurt om de afwas te doen.
- Het oude zomerhuis had slechts één bed, daarom sliepen we er om de beurt in.
- De auto moet morgen naar de garage voor een grote beurt. Daar zal ik wel weer een paar honderd euro armer van worden.
- De THA stelde op haar beurt een aantal maatregelen beschikbaar.
- Op hun beurt worden de essentiële eisen genomen (zie onder).
- De Commissie stelt op haar beurt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis.
- De Commissie stelt op haar beurt de andere lidstaten daarvan in kennis.
- Op haar beurt zal de gemeente 1077 m2 ontvangen (maatregel 2bis).
- Deze factoren zijn op hun beurt afhankelijk van de rijsituatie, zoals uiteengezet in ISO/TS 16951.
- De regering zal op haar beurt het NDA door middel van subsidies financieren.
- Die verstoringen en beperkingen kunnen op hun beurt de vraag naar goederen en diensten beïnvloeden.
- De begunstigde beweert op zijn beurt dat de maatregel een vrijwillige overeenkomst tussen crediteuren en geen staatssteun betreft.
- De aandelen van Sofivir zijn op hun beurt in handen van een aantal natuurlijke personen en van Crédit agricole.