Betekenis van:
beurt

beurt
Zelfstandig naamwoord
  • een gelegenheid of opdracht die bij afwisseling aan één persoon uit meerdere gegeven wordt
"De spelregels zeggen dat je dan je beurt moet overslaan."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wie is aan de beurt?
  2. Het is jouw beurt om te zingen.
  3. Het is Mary's beurt om de afwas te doen.
  4. Het oude zomerhuis had slechts één bed, daarom sliepen we er om de beurt in.
  5. De auto moet morgen naar de garage voor een grote beurt. Daar zal ik wel weer een paar honderd euro armer van worden.
  6. De THA stelde op haar beurt een aantal maatregelen beschikbaar.
  7. Op hun beurt worden de essentiële eisen genomen (zie onder).
  8. De Commissie stelt op haar beurt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis.
  9. De Commissie stelt op haar beurt de andere lidstaten daarvan in kennis.
  10. Op haar beurt zal de gemeente 1077 m2 ontvangen (maatregel 2bis).
  11. Deze factoren zijn op hun beurt afhankelijk van de rijsituatie, zoals uiteengezet in ISO/TS 16951.
  12. De regering zal op haar beurt het NDA door middel van subsidies financieren.
  13. Die verstoringen en beperkingen kunnen op hun beurt de vraag naar goederen en diensten beïnvloeden.
  14. De begunstigde beweert op zijn beurt dat de maatregel een vrijwillige overeenkomst tussen crediteuren en geen staatssteun betreft.
  15. De aandelen van Sofivir zijn op hun beurt in handen van een aantal natuurlijke personen en van Crédit agricole.