Betekenis van:
bezitten
bezitten
Werkwoord
- iets in eigendom hebben
"Hij bezat een groot landgoed in Frankrijk."
bezitten
Werkwoord
- ''vnl. lijdende vorm + van'' geestelijk geobsedeerd worden
"Hij was bezeten van snelle auto's en mooie vrouwen."
Voorbeeldzinnen
- Ieren migreerden naar Amerika om land te bezitten.
- vrijwel identieke fotometrische kenmerken bezitten.
- een minimumlengte L (mm) = 200mm bezitten
- Deze moet de onderstaande eigenschappen bezitten:
- balanceermachines die alle navolgende eigenschappen bezitten:
- Het mag evenwel andere ontwerpkarakteristieken bezitten.
- balanceermachines die alle navolgende eigenschappen bezitten:
- De betwiste kwaliteit zou andere fysische en technische basiseigenschappen bezitten
- De gebruikte ventilator moet de volgende kenmerken bezitten:
- De druksensoren moeten een minimumresolutie van 150 Hz bezitten.
- het in artikel 40, lid 2, bedoelde minimumgarantiefonds bezitten;
- bij het verlaten van het verwerkingsbedrijf de volgende kenmerken bezitten:
- Zij moeten de kenmerken van de variëteit bezitten.
- de meerderheid van het geplaatste kapitaal van dat bedrijf bezitten,
- Elke zijde van de trein moet een eigen deurvergrendeling bezitten.