Betekenis van:
bindend

bindend
Bijvoeglijk naamwoord
  • samenbindend
"het/de bindend(e) element/factor"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Deze verdeling is bindend.
  2. Zij hadden geen bindend karakter.
  3. De beslissingen van het comité zijn bindend.
  4. Dergelijke beslissingen zijn bindend en niet aanvechtbaar.
  5. Dit resultaat is bindend voor Europol.
  6. Daarom is dit besluit krachtens internationaal recht bindend voor Denemarken.
  7. Deze maatregelen worden vanaf 2009 bindend voor de Gemeenschap.
  8. Gemeenschapsinstrumenten zijn normaal gezien bindend voor alle lidstaten.
  9. De uitspraak is bindend voor de partijen bij het geding.
  10. Deze datum is bindend voor het aangewezen orgaan.
  11. De beschikking is bindend tot 31 december 2010.
  12. de datum waarop een maatregel bindend wordt overeenkomstig lid 1;
  13. Verordening (EG) nr. 377/2004 is dus volgens internationaal recht bindend voor Denemarken.
  14. Op 6 februari 2006 brachten twee bieders, GRAWE en het consortium, een bindend bod uit.
  15. Grootte en vorm van de kaders van het modelpaspoort zijn indicatief en niet bindend.