Betekenis van:
bliksem

bliksem (de ~ | meervoud bliksems)
Zelfstandig naamwoord
  • elektrische ontlading bij onweer; elektrische ontlading bij een onweer; lichtflits van onweer
"als de (gesmeerde) bliksem"
"ergens geen bliksem mee opschieten"

Synoniemen

Hyperoniemen

bliksem
Zelfstandig naamwoord
  • lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer ten gevolge van een elektrische ontlading

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Omdat licht sneller reist dan geluid zien we de bliksem voordat we de donder horen.
  2. Arbeidsmiddelen die bij gebruik door bliksem kunnen worden getroffen, moeten door passende inrichtingen of maatregelen tegen blikseminslag worden beschermd.
  3. Onder elektromagnetische impulsen is niet begrepen de onopzettelijke interferentie die wordt veroorzaakt door zich in de buurt bevindende apparatuur (bijv. machines, toestellen of elektronische apparatuur) of door bliksem.
  4. Er mag in het bijzonder geen onveilige toestand ontstaan als gevolg van blootstelling aan verschijnselen als, onder andere, ongunstige weersomstandigheden, bliksem, vogelaanvaring, gebieden met hoogfrequente straling, ozon en dergelijke, waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij gedurende het gebruik van het product zullen optreden.