Betekenis van:
brandalarm

brandalarm (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • alarm bij brand
"om vijf uur ging het brandalarm af"
"brandalarm geven"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Plotseling ging het brandalarm af.
  2. .8 algemeen/brandalarm;
  3. antennes; apparatuur voor brandalarm;
  4. (bij gebruik als brandalarm is punt A.1/3.53 van toepassing) Reg.
  5. Het optreden van gebreken moet een zichtbare en hoorbare waarschuwing op het controlepaneel ten gevolge hebben. Deze waarschuwing moet duidelijk te onderscheiden zijn van een brandalarm.
  6. Het ontbreken van brandopsporingssystemen, brandalarm, blusuitrusting, vast aangebrachte blusinstallaties, ventilatieafsluiters, brandkleppen, snelsluitinrichtingen, of, indien wel aanwezig, het niet-conform of in slechte staat zijn in een mate die niet verenigbaar is met de bestemming ervan.
  7. .6 De elektrische leidingen die deel uitmaken van de installatie moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere omsloten ruimten met groot brandrisico lopen, behalve indien deze leidingen nodig zijn voor de brandontdekking of het brandalarm in zulke ruimten dan wel voor de verbinding met de juiste krachtbron.