Betekenis van:
bus

bus (de ~ | meervoud bussen)
Zelfstandig naamwoord
  • autobus; voertuig voor groepsvervoer
"een bus schoolkinderen"
"de bus missen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

bus (de ~ | meervoud bussen)
Zelfstandig naamwoord
  • kleine doos
"de bus legen"
"een busje [thee]"

Hyperoniemen

bus
Zelfstandig naamwoord
  • doos of kastje met een sleuf voor geld, brieven enz.

Hyperoniemen

bus
Zelfstandig naamwoord
  • ring, cilinder ter bevestiging of versteviging

Hyperoniemen

bus
Zelfstandig naamwoord
  • dat diverse onderdelen van een computer met elkaar verbindt

Hyperoniemen

bus
Zelfstandig naamwoord
  • vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bus
Zelfstandig naamwoord
  • een blikken bewaardoos met deksel
bus
Zelfstandig naamwoord
  • collectebus
bus
Zelfstandig naamwoord
  • postbus
bus
Zelfstandig naamwoord
  • een voorwerp bedoeld om elektrische verbindingen tot stand te brengen