Betekenis van:
chauffeur

chauffeur (de ~ | meervoud chauffeurs)
Zelfstandig naamwoord
  • bestuurder v.e. voertuig
"tijdens de rit niet met de chauffeur praten"
"de chauffeur rijdt"

Hyperoniemen

chauffeur
Zelfstandig naamwoord
  • de bestuurder van een motorvoertuig
"De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in."

Voorbeeldzinnen

  1. Hou het wisselgeld maar, hoor, chauffeur.
  2. Met chauffeur
  3. Zonder chauffeur
  4. Chauffeur/bijrijder:8.
  5. Bestelwagenverhuur met chauffeur
  6. Verhuur van vrachtwagens met chauffeur
  7. Verhuur van personenauto's met chauffeur
  8. Bus- en autobusverhuur met chauffeur
  9. Verhuur van voertuigen voor goederenvervoer met chauffeur
  10. de chauffeur treedt tevens op als verzorger.
  11. Verhuur van voertuigen voor personenvervoer met chauffeur
  12. Verhuur van industriële voertuigen met chauffeur
  13. Verhuur van vrachtwagens met chauffeur (CPC 7124)
  14. de chauffeur heeft geen geldig certificaat van een beroepsopleiding;
  15. De chauffeur moet een diploma overeenkomstig punt 8.2.2.7.1 hebben.