Betekenis van:
chauffeur
chauffeur (de ~ | meervoud chauffeurs)
Zelfstandig naamwoord
- bestuurder v.e. voertuig
"tijdens de rit niet met de chauffeur praten"
"de chauffeur rijdt"
Hyperoniemen
chauffeur
Zelfstandig naamwoord
- de bestuurder van een motorvoertuig
"De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in."
Voorbeeldzinnen
- Hou het wisselgeld maar, hoor, chauffeur.
- Met chauffeur
- Zonder chauffeur
- Verhuur van personenauto's met chauffeur
- Bus- en autobusverhuur met chauffeur
- Verhuur van voertuigen voor personenvervoer met chauffeur
- Verhuur van industriële voertuigen met chauffeur
- Verhuur van vrachtwagens met chauffeur (CPC 7124)
- Groep B: Diensten van bemanning, chauffeur of bedieningspersoneel
- Documenten (behalve het diploma van de chauffeur) behoeven niet in de vervoerseenheid te worden meegenomen.
- Inhoud van de nationale wetgeving: Documenten (behalve het diploma van de chauffeur) behoeven niet in de vervoerseenheid te worden meegenomen.
- Deze categorie verleent de bevoegdheid om taxi’s/voertuigen met chauffeur met maximaal 8 passagiersstoelen, de bestuurdersplaats niet meegerekend, te besturen.
- het opleidingscertificaat bevindt zich niet in het voertuig, maar er zijn gegevens waaruit blijkt dat de chauffeur dit wel heeft.
- De afwijking heeft betrekking op de etikettering en kenmerking van verpakkingen, vervoersdocumenten, het diploma van de chauffeur en het goedkeuringsbewijs overeenkomstig deel 9.
- De afwijking heeft betrekking op de etikettering en kenmerking van verpakkingen, vervoersdocumenten, het diploma van de chauffeur en het keuringscertificaat overeenkomstig deel 9.