Betekenis van:
concert
concert (het ~ | meervoud concerten)
Zelfstandig naamwoord
- muziekstuk voor een solo-instrument met orkestbegeleiding
"een concert beluisteren"
"een concert uitvoeren"
Hyperoniemen
concert (het ~ | meervoud concerten)
Zelfstandig naamwoord
- muziekuitvoering
"een avondvullend concert"
"het concert werd door het Concertgebouworkest ten gehore gebracht"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
concert
Zelfstandig naamwoord
- een muziekuitvoering met orkest
concert
Zelfstandig naamwoord
- een muziekstuk voor een solo-instrument met begeleiding van een orkest
Voorbeeldzinnen
- Zijn concert was geweldig.
- Het concert was een succes.
- Zijn concert was zeer goed.
- Zal ik een kaartje voor het concert voor je kopen?
- Wat was het laatste concert dat je bezocht hebt?
- Die avond was ze naar het concert geweest.
- Heb je echt gratis kaarten voor het concert?
- Ik ben naar een concert geweest met Tom.
- Gisteravond was ik liever naar het concert geweest.
- Het is onbeleefd tijdens een concert te praten.
- Ik was verrast, zoveel mensen te zien op het concert.
- We hebben ons gehaast om niet te laat te zijn op het concert.
- Het concert was leuk, maar het was wel koud in de zaal.
- Mensen zouden hun ziel verkopen om vanaf deze plaatsen naar het concert te luisteren.