Betekenis van:
concert

concert (het ~ | meervoud concerten)
Zelfstandig naamwoord
  • muziekstuk voor een solo-instrument met orkestbegeleiding
"een concert beluisteren"
"een concert uitvoeren"

Hyperoniemen

concert (het ~ | meervoud concerten)
Zelfstandig naamwoord
  • muziekuitvoering
"een avondvullend concert"
"het concert werd door het Concertgebouworkest ten gehore gebracht"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

concert
Zelfstandig naamwoord
  • een muziekuitvoering met orkest
concert
Zelfstandig naamwoord
  • een muziekstuk voor een solo-instrument met begeleiding van een orkest

Voorbeeldzinnen

  1. Zijn concert was geweldig.
  2. Het concert was een succes.
  3. Zijn concert was zeer goed.
  4. Zal ik een kaartje voor het concert voor je kopen?
  5. Wat was het laatste concert dat je bezocht hebt?
  6. Die avond was ze naar het concert geweest.
  7. Heb je echt gratis kaarten voor het concert?
  8. Ik ben naar een concert geweest met Tom.
  9. Gisteravond was ik liever naar het concert geweest.
  10. Het is onbeleefd tijdens een concert te praten.
  11. Ik was verrast, zoveel mensen te zien op het concert.
  12. We hebben ons gehaast om niet te laat te zijn op het concert.
  13. Het concert was leuk, maar het was wel koud in de zaal.
  14. Mensen zouden hun ziel verkopen om vanaf deze plaatsen naar het concert te luisteren.