Betekenis van:
dat
dat
- Het ding dat wordt aangeduid (op afstand van de spreker, of voorheen is genoemd, of op een ander moment).
dat
- Het aangegeven voorwerp (op afstand van de spreker, bij de luisteraar).
Voorbeeldzinnen
- Vergeet dat.
- Dat volstaat.
- Ik denk dat dat werkt.
- Ik vond dat ik dat moest doen.
- "Wie is dat?" "Dat is Jim."
- Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.
- Ik denk dat dat gerucht waar is.
- "Wie is dat meisje?" "Dat is Keiko."
- Dat is mijn woordenboek.
- Zeg dat opnieuw, alsjeblieft.
- Dat is mijn antwoord!
- Dat wist ik niet.
- Dat ging per ongeluk!
- Dat is alles.
- Dat is mijn kat.