Betekenis van:
dikwijls

dikwijls
Bijwoord
  • vele malen

Voorbeeldzinnen

  1. Wij spelen dikwijls schaak.
  2. Hij gaat dikwijls te voet naar school.
  3. Hij rijdt dikwijls naar de bibliotheek.
  4. Ik speel dikwijls voetbal na de les.
  5. Ik zit dikwijls in de problemen.
  6. Ik heb het je dikwijls gezegd.
  7. Na de school spelen we dikwijls schaak.
  8. Als kind ging ik dikwijls vissen met mijn vader.
  9. In haar twintig eerste levensjaren werd ze dikwijls voor een jongen gehouden.
  10. Men zegt dikwijls dat Japans een moeilijke taal is om te leren.
  11. Een goede verwachting wordt dikwijls teleurgesteld
  12. Deze ondernemingen concurreren dikwijls ook met andere ondernemingen.
  13. Deze inbreuken overschrijden dikwijls de grenzen tussen de lidstaten.
  14. De ziekte is dikwijls ernstig en het sterftecijfer ligt hoog.
  15. Dit komt doordat staalkoord-transportbanden dikwijls op maat worden gemaakt voor specifieke toepassingen.