Betekenis van:
droom
droom (de ~ | meervoud dromen)
Zelfstandig naamwoord
- het gedroomde
"[het huis] van mijn dromen"
"een mooie droom"
Hyperoniemen
droom
Zelfstandig naamwoord
- beelden die men ziet wanneer men slaapt
droom
Zelfstandig naamwoord
- een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Droom ik?
- Slaapwel. Droom zoet.
- Wat is jouw droom?
- Ik heb een droom.
- Je beleeft een droom, en de droom eindigt bijna.
- Soms droom ik over thuis.
- De droom is werkelijkheid geworden.
- Die nacht droomde hij een afschuwelijke droom.
- Ik ontmoette een wolf in een droom.
- De meeste tijd droom ik in tekst.
- Ik droom ervan een leraar te worden.
- Haar droom is om Parijs te bezoeken.
- In mijn droom kwam ik een wolf tegen.
- Hij was gelukkig om zijn droom te hebben waargemaakt.
- Mijn droom is om in een spaceshuttle te reizen.