Betekenis van:
fauna

fauna
Zelfstandig naamwoord
  • het geheel aan dieren in een gebied
"De fauna van dat eiland is nog zo goed als onveranderd over de laatste driehonderd jaar."
fauna (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • de gezamenlijke diersoorten van een bepaald land of een bepaald geologisch tijdperk
"wilde fauna"
"flora en fauna"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

fauna (de ~ | meervoud fauna's)
Zelfstandig naamwoord
  • opsomming of beschrijving van dieren van dieren van een bepaalde tijd of plaats

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. FAUNA (DIEREN)
  2. (vergiftig voor de fauna),
  3. Biologisch kwaliteitselement: Benthische ongewervelde fauna
  4. Biologisch kwaliteitselement: Benthische ongewervelde fauna
  5. ter bescherming van flora en fauna;
  6. toestand van bodem, flora, fauna en biotopen;
  7. zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
  8. zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
  9. bescherming en ontwikkeling van de aquatische fauna en flora;
  10. Flora en/of fauna in een natuurlijke omgeving.
  11. Verzamelingen [2] en exemplaren voor verzamelingen van fauna, flora, mineralen en anatomische delen
  12. Maatregelen ter bescherming en ontwikkeling van de aquatische flora en fauna
  13. Informatie over angiospermen, macroalgen en ongewervelde benthische fauna, inclusief soortensamenstelling, biomassa, productiviteit en variabiliteit op jaar- en seizoenbasis;
  14. de bouw of installatie van vaste of verplaatsbare voorzieningen om de aquatische fauna en flora te beschermen en te ontwikkelen,
  15. Dergelijke afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving inzake de instandhouding van wilde fauna en flora.