Betekenis van:
genoegdoening

genoegdoening (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • schadeloosstelling; genoegdoening
"genoegdoening eisen"
"iemand genoegdoening geven/verschaffen"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. In de leveringsovereenkomsten moet een contractuele boeteclausule (of een andere passende vorm van genoegdoening) worden opgenomen.
  2. De ombudsman tracht zoveel mogelijk met de betrokken instellingen of organen tot een oplossing te komen om een eind te maken aan de gevallen van wanbeheer en met betrekking tot de ingediende klacht genoegdoening te verschaffen.
  3. Indien de gehandicapte persoon of de persoon met beperkte mobiliteit langs deze weg geen genoegdoening krijgt, kan hij/zij een klacht indienen bij de instantie(s) die daartoe door de betrokken lidstaat is (zijn) aangewezen.
  4. zelfs wanneer de schuldeiser geen genoegdoening krijgt, kan hij rechtsgevolgen doen ontstaan naar aanleiding van een legitieme fout die hij heeft begaan bij de vorming van de schuldvordering, op grond van het feit dat deze altijd zou worden gehonoreerd (4).
  5. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer vaststelt, werkt hij zoveel mogelijk met de betrokken instelling samen bij het streven naar een minnelijke schikking om aan dit geval van wanbeheer een einde te maken en de klager genoegdoening te verschaffen.
  6. Indien de onder de gelieerde kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet of slechts gedeeltelijk geleverd, respectievelijk verricht worden of niet met de voorwaarden van het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst in overeenstemming zijn, kan de consument zijn rechten doen gelden jegens de leverancier, respectievelijk de dienstverrichter, indien hij niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij overeenkomstig de wet of het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst recht heeft, na zijn rechten te hebben doen gelden jegens de kredietgever.