Betekenis van:
gezondheid

gezondheid
Zelfstandig naamwoord
  • welbevinden, in goede staat zijn
"Zijn gezondheid was gelukkig niet in gevaar."
gezondheid (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • toestand van optimaal welzijn in geestelijk, lichamelijk en/of maatschappelijk opzicht
"gezondheid is de grootste schat"
"een goede/slechte gezondheid genieten"

Synoniemen

Hyperoniemen

gezondheid
Tussenwerpsel
  • een uitroep als iemand niest of hoest

Voorbeeldzinnen

  1. Gezondheid!
  2. Gezondheid!
  3. Gezondheid!
  4. Gezondheid!
  5. Je gezondheid is belangrijker.
  6. Niets is belangrijker dan gezondheid.
  7. Hij is in goede gezondheid.
  8. Vroeg opstaan is goed voor de gezondheid.
  9. Gezondheid is een belangrijke voorwaarde voor succes.
  10. Zijn gezondheid is verslechterd sinds het ongeluk.
  11. Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.
  12. Gebrek aan beweging kan de gezondheid schaden.
  13. We moeten op onze gezondheid letten.
  14. Gezondheid is onmisbaar voor het geluk.
  15. Hardlopen is goed voor de gezondheid.