Betekenis van:
gezondheid
gezondheid
Zelfstandig naamwoord
- welbevinden, in goede staat zijn
"Zijn gezondheid was gelukkig niet in gevaar."
gezondheid (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- toestand van optimaal welzijn in geestelijk, lichamelijk en/of maatschappelijk opzicht
"gezondheid is de grootste schat"
"een goede/slechte gezondheid genieten"
Synoniemen
Hyperoniemen
gezondheid
Tussenwerpsel
- een uitroep als iemand niest of hoest
Voorbeeldzinnen
- Gezondheid!
- Gezondheid!
- Gezondheid!
- Gezondheid!
- Je gezondheid is belangrijker.
- Niets is belangrijker dan gezondheid.
- Hij is in goede gezondheid.
- Vroeg opstaan is goed voor de gezondheid.
- Gezondheid is een belangrijke voorwaarde voor succes.
- Zijn gezondheid is verslechterd sinds het ongeluk.
- Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.
- Gebrek aan beweging kan de gezondheid schaden.
- We moeten op onze gezondheid letten.
- Gezondheid is onmisbaar voor het geluk.
- Hardlopen is goed voor de gezondheid.