Betekenis van:
gisteren

gisteren
Bijwoord
  • de laatste dag die voltooid is

Voorbeeldzinnen

  1. Gisteren was het zondag.
  2. Hij werd gisteren geopereerd.
  3. Gisteren was het zondag.
  4. We hebben gisteren gehonkbald.
  5. Tenniste je gisteren?
  6. Gisteren was ik gelukkig.
  7. Hij is gisteren overleden.
  8. Gisteren was het donderdag.
  9. Het was gisteren koud.
  10. Het was heet gisteren.
  11. Hij is gisteren overleden.
  12. Wat overkwam je gisteren?
  13. We hebben gisteren getennist.
  14. Heb je gisteren gewerkt?
  15. Het was heet gisteren.