Betekenis van:
hen

hen (de ~ | meervoud hennen)
Zelfstandig naamwoord
  • kip
"dat ken zei de hen"
"er zaten een haan en drie hennen in het hok"

Hyperoniemen

Hyponiemen

hen
Zelfstandig naamwoord
  • het vrouwtje van de hoenderachtige vogels
"De hen legt een ei in de ren."
hen
Persoonlijk voornaamwoord
  • persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud in de accusatief (zij) en wordt ook na voorzetsels gebruikt. Voornamelijk beperkt tot verwijzingen naar ''personen''
"Hij zag hen in de vergaderingsruimte."

Voorbeeldzinnen

  1. Zal je hen helpen?
  2. Ik ken hen.
  3. We hielden hen stil.
  4. Heeft de gevangenis hen veranderd?
  5. Wie heeft hen tafelmanieren geleerd?
  6. Ik ken niemand van hen.
  7. Ik ken niemand van hen.
  8. Ieder van hen kreeg een prijs.
  9. Hij weigerde hen de informatie te geven.
  10. Laten we het probleem met hen overleggen.
  11. Die vos moet de hen gedood hebben.
  12. Hij was zeer lief voor hen.
  13. Ik zag hen arm in arm lopen.
  14. Het is dik aan tussen hen.
  15. Ik wou hen mijn waardering tonen.