Betekenis van:
het

het
Persoonlijk voornaamwoord
  • 3e persoon enkelvoud onzijdig.
"Het leger zegt dat het de situatie onder controle heeft, maar dat blijkt niet helemaal te kloppen."
het
Onbepaald voornaamwoord
  • 3e persoon enkelvoud onzijdig

Voorbeeldzinnen

  1. Het giet.
  2. Het regent.
  3. Het hagelt.
  4. Het sneeuwt.
  5. Het sneeuwt.
  6. Het sneeuwt.
  7. Het regent.
  8. Het regende.
  9. Het maakt al het verschil.
  10. Zeg het in het Engels.
  11. Het regent dat het giet.
  12. Het is het nieuwste snufje.
  13. Hoe ver is het van het vliegveld naar het hotel?
  14. "Gaat het?" "Wat...? Ja, het is niets."
  15. Wie het laatst lacht, lacht het best.