Betekenis van:
hoes

hoes (de ~ | meervoud hoezen)
Zelfstandig naamwoord
  • overtrek; stoffen hoes
"een leren hoes"
"het hoesje van een cd"

Synoniemen

Hyperoniemen

hoes
Zelfstandig naamwoord
  • een bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
"Op de hoes van deze plaat stond de zanger afgebeeld."

Voorbeeldzinnen

  1. Hoes
  2. Hoes
  3. Hoes (enveloppe)
  4. Hoes (cover)
  5. Hoes (cover)
  6. Hoes (enveloppe)
  7. Hoes SL
  8. Hoes, van staal SV
  9. Hoes, van staal
  10. Hoes (enveloppe) EN
  11. Hoes, van staal
  12. ter vervanging van de heer Onno HOES,
  13. als lid: de heer Onno HOES
  14. De vulling mag niet blijvend vervormen waardoor de hoes los komt te zitten.
  15. Twee zetels van lid zijn vrijgekomen als gevolg van het aftreden van de heren JANSEN en HOES.