Betekenis van:
hun
hun
Persoonlijk voornaamwoord
- persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud datief
"Ik heb het hun gegeven."
hun
Persoonlijk voornaamwoord
- Persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud ook accusatief
"Ik heb hun gezien."
hun
Bezittelijk voornaamwoord
- bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud
"De mannen hebben hun geweren geladen."
Voorbeeldzinnen
- Dit is hun huis.
- Ze bereikten hun doel.
- Hun ontmoeting was onvermijdbaar.
- Hun trouwdag bleef onopgemerkt.
- Ze verlieten hun land.
- Kinderen doen eerder hun vrienden dan hun ouders na.
- Ondanks hun omvang en hun gewicht kunnen nijlpaarden snel zwemmen.
- Al hun geheimen werden onthuld.
- Ouders houden van hun kinderen.
- Al hun inspanningen waren tevergeefs.
- De dieren volgen hun instinct.
- Hun huis is zeer modern.
- Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen.
- Ze gehoorzaamden hun ouders niet.
- Deze kinderen worden door hun ouders verwaarloosd.