Betekenis van:
injectiespuit

injectiespuit
Zelfstandig naamwoord
  • een cilinder met een holle naald, bedoeld om iets te kunnen inspuiten
"Ze stonden al klaar met een fikse injectiespuit."
injectiespuit
Zelfstandig naamwoord
  • voorwerp met naald om mee te spuiten

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Injectiespuit, 5 μl.
  2. Injectiespuit van 10 µl.
  3. Chromatografische injectiespuit met geharde naald, 1 μl.
  4. Stop de snede dicht met steriele vaseline uit een injectiespuit.
  5. Injectiespuit waarvan de plunjer niet tot de punt van de naald mag komen (GC met gepakte kolom).
  6. Inoculeer de stengels net boven de zaadlobben met een injectiespuit voorzien van een hypodermische naald (minimaal 23G).
  7. Inoculeer de auberginestengels net boven de zaadlobben met een injectiespuit voorzien van een hypodermische naald (minimaal 23G).
  8. Vul met boorzuuroplossing (4.3.2) aan tot de maatstreep en voeg met een injectiespuit (5.7) 20 μl 2-mercaptoethanol (4.3.3) toe.
  9. Pipetteer 0,2 ml (5.5) melkpoederoplossing in een maatkolf van 10 ml (5.6), voeg met een injectiespuit (5.7) 100 μl 0,15 mM tryptamineoplossing (7.1) toe en vul met methanol (4.2.1) aan tot de maatstreep.