Betekenis van:
insuline

insuline (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • stof voor het bloedsuikergehalte
"insuline spuiten/inspuiten"
"insuline toedienen"

Hyperoniemen

insuline
Zelfstandig naamwoord
  • een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
"Glucagon en insuline zijn zogenaamde antagonisten."

Voorbeeldzinnen

  1. Insuline
  2. insuline glargine
  3. bevattende insuline
  4. tweefasige insuline injectie
  5. Insuline en zouten daarvan
  6. Geneesmiddelen zonder antibiotica met insuline, o.v.k.
  7. Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de tot deze groep behorende aanvrager of bestuurder aan diabetes mellitus lijdt die met insuline moet worden behandeld, tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen, op grond van een officieel medisch advies en onder voorbehoud van een geregelde medische controle.