Betekenis van:
jammer

jammer
Zelfstandig naamwoord
  • jammerklacht, weeklagen
"-nog langer zal het lijden duren, nog hooger zal de jammer rijzen."
jammer
Zelfstandig naamwoord
  • te betreuren
"jammer genoeg"
"jammer voor [je]"

Synoniemen

Hyperoniemen

jammer
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''alleen predicatief'' teleurstellend, spijtig
"Het is jammer dat hij niet kon komen."
jammer
Bijwoord
  • ''~ genoeg'' druk betreurenswaardigheid uit.
"Van die taal hebben we jammer genoeg nog maar weinig woorden in het bestand."
jammer
Tussenwerpsel
  • een uitroep van teleurstelling.
"Jammer! Ik had me erop verheugd."
jammer
Tussenwerpsel
  • spottend, schijnheilig.
"Jammer dan! Had je maar moeten uitkijken!"

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wat jammer!
  2. Wat jammer dat je niet kan dansen!
  3. Jammer genoeg heeft ze al een vaste vriend.
  4. Jammer dat ik niet hoef af te vallen.
  5. Het is heel jammer dat je vrouw niet kon komen.
  6. Het is jammer dat je niet met ons mee kan.
  7. Het is jammer dat hij niet met haar kan trouwen.
  8. Ik vind het jammer dat ik je niet kan helpen.
  9. Het is jammer dat ik niet zo goed Engels begrijp.
  10. Jammer genoeg is het hotel dat je aanbevolen had compleet volgeboekt.
  11. Maar weet je, het zou toch jammer zijn om al deze zinnen te verzamelen en voor onszelf te houden, omdat je er zoveel mee kunt doen. Daarom is Tatoeba open. Onze broncode is open. Onze gegevens zijn open.