Betekenis van:
juni

juni (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • zesde maand v.h. jaar; elk v.d. maanden v.d. zomer
"in juni"

Synoniemen

Hyperoniemen

juni
Zelfstandig naamwoord
  • de zesde maand van het jaar
"Ik ben in juni geboren."
juni
Zelfstandig naamwoord
  • de zesde maand van het jaar
"Ik ben in juni geboren."

Voorbeeldzinnen

  1. Het regenseizoen begint in Juni.
  2. Ze gaan trouwen in juni.
  3. In juni is hij teruggekomen uit Nederland.
  4. Ze verwacht een kind in juni.
  5. Dit is de droogste juni sinds de jaren dertig.
  6. Vandaag is het 18 juni en het is de verjaardag van Muiriel!
  7. juni
  8. Juni
  9. juni
  10. 11 juni
  11. JUNI 2008
  12. 30 juni
  13. juni 2006
  14. Juni (tweejaarlijks)
  15. Juni-juli