Betekenis van:
jute

jute
Bijvoeglijk naamwoord
  • gemaakt van jute
"De jute zak bleek niet echt stevig te zijn."
jute (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • stof van hennep of vlas

Synoniemen

Hyperoniemen

jute
Zelfstandig naamwoord
  • de bastvezels van een soort van hennep waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden

Voorbeeldzinnen

  1. van jute
  2. jute garen,
  3. jute en andere bastvezels,
  4. garens van kokos of jute,
  5. jute en andere bastvezels, ruw of geroot
  6. van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
  7. Jute en andere textielvezels, bewerkt, doch niet gesponnen
  8. van jute of van andere bastvezels, bedoeld bij post 5303
  9. Verwerking van andere textielvezels (jute en harde vezels), touwfabrieken
  10. Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte
  11. Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte
  12. Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
  13. Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
  14. Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van meer dan 150 cm
  15. Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303