Betekenis van:
jute
jute
Bijvoeglijk naamwoord
- gemaakt van jute
"De jute zak bleek niet echt stevig te zijn."
jute
Zelfstandig naamwoord
- de bastvezels van een soort van hennep waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden
Voorbeeldzinnen
- van jute
- jute garen,
- jute en andere bastvezels,
- garens van kokos of jute,
- jute en andere bastvezels, ruw of geroot
- van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
- Jute en andere textielvezels, bewerkt, doch niet gesponnen
- van jute of van andere bastvezels, bedoeld bij post 5303
- Verwerking van andere textielvezels (jute en harde vezels), touwfabrieken
- Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte
- Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte
- Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
- Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303
- Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van meer dan 150 cm
- Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303