Betekenis van:
kanon

kanon (het ~ | meervoud kanonnen, kanons)
Zelfstandig naamwoord
  • groot vuurwapen op onderstel; kanon
"bronzen kanonnen"
"kanonnen, hé!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kanon
Zelfstandig naamwoord
  • een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
"De vuursnelheid van het kanon werd aanzienlijk verhoogd."
kanon (het ~ | meervoud kanonnen, kanons)
Zelfstandig naamwoord
  • op de voorgrond tredende figuur
"de kanonnen in [de voetbalsport/landspolitiek/...]"

Synoniemen

Hyperoniemen

kanon (het ~ | meervoud kanonnen, kanons)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die hard kan schieten

Hyperoniemen

Hyponiemen

kanon
Zelfstandig naamwoord
  • een drinkglas met dikke bodem of voet, gebruikt bij heildronken

Voorbeeldzinnen

  1. Kathodestraalbuizen voor het weergeven van beelden in kleur, voorzien van een gaatjesmasker (zogenaamde „dot mask”), met 3 naast elkaar geplaatste elektronenkanonnen (zogenaamde „in-line”-techniek) of één kanon met 3 stralen, en een beeldschermdiagonaal van niet meer dan 72 cm
  2. Kathodestraalbuizen voor het weergeven van beelden in kleur, voorzien van een gaatjesmasker (zogenaamde „dot mask”), met 3 naast elkaar geplaatste elektronenkanonnen (zogenaamde „in-line”-techniek) of één kanon met 3 stralen, een beeldschermdiagonaal van meer dan 72 cm en een afstand tussen punten van dezelfde kleur van minder dan 0,5 mm