Betekenis van:
kind

kind
Zelfstandig naamwoord
  • persoon voortkomend uit, zoon of dochter
"Zij laat haar kind bij de oppas achter."
kind
Zelfstandig naamwoord
  • mens tussen 0 en 18 jaar
"Kinderen mogen niet gaan stemmen."
kind
Zelfstandig naamwoord
  • mens tussen 0 en 18 jaar
"Kinderen mogen niet gaan stemmen."
kind
Zelfstandig naamwoord
  • persoon voortkomend uit, zoon of dochter
"Zij laat haar kind bij de oppas achter."
kind (het ~ | meervoud kinderen)
Zelfstandig naamwoord
  • nog niet-volwassen mens
"het kind van de rekening zijn"
"zo onschuldig zijn als een pasgeboren kind"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen