Betekenis van:
kraal

kraal (de ~ | meervoud kralen)
Zelfstandig naamwoord
  • bolletje om kettingen mee te rijgen
"kralen/kraaltjes rijgen (tot een ketting)"
"(er drijft) een kraaltje vet [op de jus]"

Hyperoniemen

kraal
Zelfstandig naamwoord
  • een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal bedoeld als versiering
"Je kunt kraaltjes rijgen tot een ketting of in een patroon op iets aanbrengen."
kraal
Zelfstandig naamwoord
  • een bolrond voorwerpje
"Het gesmolten metaal verzamelde zich in kraaltjes op de bodem."
kraal (de ~ | meervoud kralen)
Zelfstandig naamwoord
  • omsloten ruimte voor vee

Hyperoniemen

Hyponiemen

kraal
Zelfstandig naamwoord
  • een ronde verdikking in een dunne laag metaal
kraal
Zelfstandig naamwoord
  • een omheinde ruimte, gewoonlijk voor vee
kraal
Zelfstandig naamwoord
  • uitgevloeide druppel vet op soep enz.; uitgevloeide druppel vet op soep enz.

Synoniemen

Hyperoniemen