Betekenis van:
kransen

kransen
Werkwoord
  • een krans vormen
"Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote mand met maaswerk vóór zich."Hilda van Suylenburg"
Cécile de Jong van Beek en Donk, 1897"
krans (de ~ | meervoud kransen)
Zelfstandig naamwoord
  • ring van takken en bloemen
"goede wijn behoeft geen krans"
"een krans leggen"

Hyperoniemen

Hyponiemen